SURF - Wiki

HBO-raad notitie Naar een Duurzaam Onderzoeksklimaat

HBO-raad notitie: Naar een Duurzaam Onderzoeksklimaat

De notitie Naar een duurzaam onderzoeksklimaat (februari 2010; zie www.hbo-raad.nl) over het onderzoek aan de hogescholen is geschreven door de strategische werkgroep onderzoek, in opdracht van het bestuur van de HBO-raad. De notitie beoogt richting te geven aan de verdere positionering, uitbouw en kwaliteitsontwikkeling van het onderzoek aan hogescholen. De notitie ligt inhoudelijk in het verlengde van de meer algemeen geformuleerde ambitie van de hogescholen ten aanzien van onderzoek, in de strategische agenda Kwaliteit als opdracht (2009.

Het begrip kwaliteit dient als leidraad, zo licht de strategische werkgroep toe. Het is ook hun overtuiging dat het realiseren en zichtbaar maken van goede kwaliteit de belangrijkste sleutel tot blijvend en verdergaand succes is. Voor de werkgroep staat vast dat een duurzaam onderzoeksklimaat aan hogescholen een noodzakelijke voorwaarde is voor de structurele verhoging van het niveau van het onderwijs en de algehele kwaliteitsverbetering. In de ogen van de werkgroep zijn onderzoek en onderwijs onverbrekelijk met elkaar verbonden als twee gelijkwaardige pijlers onder het hbo.

Succesfactoren

De notitie opent met een schets van de ontwikkeling en omvang van het onderzoek aan hogescholen tot nu toe. In het volgende hoofdstuk benoemt de werkgroep de succesfactoren die volgens haar de weg naar een duurzaam onderzoeksklimaat bepalen. Hierbij baseert ze zich op analyses en aanbevelingen van stakeholders en deskundigen, ook internationaal. Genoemde succesfactoren zijn:
1. Verstevigen van de relatie onderzoek-onderwijs
2. Uitbouwen van netwerken en samenwerkingsrelaties
3. Verhogen van de maatschappelijke relevantie en zichtbaarheid
4. Doorontwikkelen van kwaliteit en kwaliteitszorg
5. Kwalificeren en uitbreiden van personeel en faciliteiten
6. Internationaal uitwisselen en benchmarken
7. Aanbrengen van focus en massa
8. Opbouwen van een solide en substantiële financiering
Bij elke succesfactor wordt beschreven hoe de hogescholen er grosso modo voor staan en welke ambities daaruit voortvloeien.

Ambities

  1. Onderzoek en onderwijs dienen als twee gelijkwaardige pijlers te worden beschouwd. Zij zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en versterken in wisselwerking het niveau en de kwaliteit van het hbo (zie figuur 3). Deze situatie kan pas optimaal worden gerealiseerd als het aantal onderzoeksactiviteiten binnen hogescholen substantieel wordt verhoogd. Hiervoor is noodzakelijk dat concrete ambities worden geformuleerd aan de hand van kwantitatieve indicatoren. De werkgroep adviseert daarbij de volgende indicatoren:
    1. 1 fte lectoren op 720 studenten (nu 1 op 1714)
    2. 20% van docenten onderzoeksactief (nu 10%)
  2. De relaties met het werkveld zouden niet alleen in termen van aantallen moeten worden geduid. De duurzaamheid, intensiteit en productiviteit van de relaties zijn minstens zo belangrijk. Niettemin is het voor de aansluiting bij de praktijk en de zichtbaarheid ervan nodig, dat verdere uitbreiding van het aantal contacten met het werkveld plaatsvindt. Daarbij kunnen de volgende indicatoren worden gehanteerd:
    1. Betrokken ondernemers bij onderzoeksactiviteiten: 10.000
    2. Betrokken professionals publieke instellingen bij onderzoeksactiviteiten: 5.000
  3. Het gezamenlijk zichtbaar maken van kennisproducten en onderzoeksresulaten is essentieel. Op dit moment zijn slechts 18 hogescholen aangesloten op de HBO-kennisbank. De werkgroep adviseert de realisatie van een kennisbank ontstaat waarin alle hogescholen deelnemen, die zij substantieel vullen met kwaliteitsproducten en die op een ‘gebruiksvriendelijke’ manier ook toegankelijk is voor de beroepspraktijk. Het gaat hierbij dus niet slechts om een uitbreiding van het bestaande (een databank met hoofdzakelijk afstudeerscripties) maar om een andere invulling, mede gevoed vanuit de lectoraten.
  4. Voor de kwaliteitsontwikkeling van het onderzoek is het noodzakelijk dat binnen het hbo zogenaamde praktijkdisciplines ontstaan, analoog aan de vakdisciplines in het wo. Binnen dergelijke disciplines kunnen specifieke kwaliteitsstandaarden tot ontwikkeling komen in het verlengde van het BKO. Het Forum zal  gevraagd worden hier het voortouw in te nemen.
  5. De upgrading van het opleidingsniveau van docenten is cruciaal voor het bewerkstelligen van een onderzoeksklimaat aan hogescholen. De met de overheid afgesproken percentages (10% gepromoveerd, 70% master in 2014) moeten daarom gericht worden nagestreefd en tussentijds gemonitord.
  6. De diverse in deze notitie geformuleerde ambities en indicatoren vragen om een gerichte benchmark met het buitenland. Hiervoor zou een concrete opdracht moeten worden uitgezet via UASNET. Daarnaast moet de toegankelijkheid en betrokkenheid van hogescholen ten aanzien van de Kaderprogramma’s van de EC worden versterkt.
  7. Er moet een strategische geldstroom komen die focus en massavorming door hogescholen ondersteunt en faciliteert.
  8. Geleidelijke uitbouw van zowel eerste als tweede geldstroom is noodzakelijk met een extra investering van € 120 mln. voor de eerste - en € 100 mln. voor een tweede geldstroom.

Aanbevelingen

De notitie besluit met de belangrijkste uitdagingen die de ambities met zich meebrengen, in de vorm van aanbevelingen aan elk van drie betrokken partijen: de hogescholen, de HBO-raad en het Forum voor Praktijkgericht Onderzoek.

Voor hogescholen:

  1. Voor elke hogeschool begint positioneren en inbedden bij het op de missie en de ambities gebaseerde strategische beleid. Onderzoek zou daarin de plek moeten krijgen die het verdient, als gelijkwaardige functie naast het onderwijs, maar ook ten dienste van dat onderwijs. Van  hieruit vindt de doorvertaling plaats naar financieel- en HRM-beleid, en naar de wenselijk geachte organisatiestructuur.
  2. Elke hogeschool maakt vanzelfsprekend de eigen keuzes conform de missie, regionale omgeving en aard van de hogeschool. Voor elke hogeschool zou echter moeten gelden dat de relatie tussen onderwijs en onderzoek op elk denkbaar organisatieniveau is geborgd. Dit vraagt onder meer om een herbezinning op de invulling van (inhoudelijk) leiderschap tot op het hoogste niveau in de organisatie.
  3. Voor elke hogeschool geldt ook dat een op kwaliteit gericht en samenhangend HRM-beleid moet worden gevoerd. De kwalificaties en expertise van de lectoren, docenten en andere onderzoekers zijn immers sleutelfactoren voor kwaliteit. Een en ander zal tot uitdrukking moeten komen in aannamebeleid, taaktoedeling en deskundigheidsbevordering. De met de overheid afgesproken upgrading van het opleidingsniveau van docenten (10% gepromoveerd, 70% master) zou voor elke hogeschool18 richtinggevend moeten zijn.
  4. Voor veel hogescholen zal gelden dat de onderzoeksomvang thans te gering is om de onderzoeksambities te kunnen realiseren. Uitbouw in personele en financiële zin is dus noodzakelijk. Hiervoor geldt enerzijds een individuele verantwoordelijkheid en anderzijds een collectieve verantwoordelijkheid (zie 4.2). De individuele hogeschool zal de onderzoeksomvang in overeenstemming moeten brengen met de ambities.
  5. Het onderzoek dient veel beter zichtbaar te worden voor de stakeholders. Dit kan onder worden bevorderd door aansluiting op de HBO-kennisbank, maar ook door meer in te zetten op PR en marketing.

Voor de hbo-raad:

  1. De positionering van het onderzoek is ook een belangrijke aangelegenheid van het collectief. Het gaat daarbij vooral om het aantonen en benadrukken van de toegevoegde waarde van het onderzoek voor de samenleving, zowel regionaal, nationaal als internationaal. Hierbij zal de nadruk moeten liggen op de betekenis (direct en via het onderwijs) voor kenniscirculatie en innovatie, dit laatste zowel in maatschappelijke (zoals vergrijzing, duurzaamheid, culturele spanningen) als economische zin. Van daaruit moet zorgvuldig worden geanalyseerd welke
    strategische partners (inclusief de ministeries) op welk moment moeten worden betrokken.
  2. De werkgroep adviseert een onderzoek te laten uitvoeren naar de diversiteit in organisatie- en besturingsmodellen ten aanzien van de relatie onderwijs-onderzoek. Dit zou geen normatief onderzoek moeten zijn, maar een inventarisatie van de voor- en nadelen van de verschillende modellen.
  3. Het collectief van hogescholen zal het gezamenlijk doorontwikkelen en expliciteren van kwaliteitstandaarden ter hand moeten nemen, ook in internationaal perspectief (zie ook aanbeveling 2).
  4. De werkgroep beveelt de HBO-raad aan om de (hierboven in de tabel bij ambities geformuleerde) indicatoren met bijbehorende ambities richttinggevend te laten zijn voor de gezamenlijke hogescholen en zowel tussentijds (2012) als in 2015 metingen uit te voeren.
  5. Via verbetering en uitbouw van de HBO-kennisbank moet het collectief werken aan het opzetten van een (digitale) infrastructuur voor het ontsluiten van op onderzoek gebaseerde kennis en producten.
  6. In verenigingsverband moet worden gepleit voor verhoging van structurele budgetten gezien de noodzakelijke wisselwerking tussen onderzoek aan onderwijs, de bijdrage aan het oplossen van maatschappelijke vraagstukken en de betekenis voor valorisatie, innovatie en economie.
  7. Ook moet worden gepleit voor een substantiële tweede geldstroom via uitbouw van RAAK-regeling en level playing field bij onder andere NWO-subsidies. Maar ook voor de inzet van de scholingsfondsen voor onderzoek.
  8. Minister Plasterk heeft de sector inmiddels officieel uitgenodigd met een investeringsplan te komen voor het praktijkgerichte onderzoek. Hij deelt de opvatting dat verdere ontwikkeling van dit onderzoek moet worden aangemoedigd. De werkgroep meent dat deze notitie bij het schrijven van een dergelijk toekomstplan als opstap kan fungeren.
  9. Voor de toekomstige onderbouwing van claims moet worden gezocht naar internationale benchmarks maar ook naar illustraties van hoe welvarende economieën van onderzoek profiteren. Ook zou een valide macro-economische multiplier moeten worden ontwikkeld voor het berekenen van de meerwaarde van investeringen in toegepast onderzoek.
  10. Europese gelden (onder meer de EC kaderprogramma's) zouden toegankelijker moeten worden gemaakt voor hogescholen, onder meer via UASNET en/of een gerichte lobby in Brussel.

Voor het Forum voor praktijkgericht onderzoek:

  1. Naar analogie van de vakdisciplines in het wo zouden in het hbo praktijkdisciplines moeten worden ontwikkeld binnen het Forum. Theorievorming binnen de disciplines wordt daarbij verrijkt met praktijkervaring. De ervaring in de praktijk toets de theorie en vult deze verder aan.
  2. Met de komst van het kwaliteitszorgstelsel onderzoek wordt getoetst of hogescholen hun kwaliteitsborging van het onderzoek op orde hebben. De kwaliteit van het onderzoek zelf en de kwaliteitsnormering is een verantwoordelijkheid van de hogescholen en de onderzoekers zelf. Voor het ontwikkelen van kwaliteitsstandaarden binnen de verschillende onderzoeksdomeinen ligt een belangrijke taak voor het Forum.
  3. Het Forum is een belangrijk netwerk geworden waarin good pratices over onderzoek worden gedeeld. Ook voor de toekomst blijft kennisdeling binnen het Forum van belang.
  4. Het Forum heeft een rol in het verder versterken van de positie van het praktijkgericht onderzoek binnen de kennisinfrastructuur. Enerzijds door het laten zien van goede voorbeelden (marketing) en anderzijds door samen op te trekken met de HBO-raad in de lobby richting relevante stakeholders.
  5. Om het maatschappelijk belang van lectoren beter zichtbaar te maken is het van groot belang dat initiatieven worden ontplooid voor de maatschappelijke positionering van het lectoraat.
Enter labels to add to this page:
Please wait 
Looking for a label? Just start typing.